Ontwikkelingen per leeftijdscategorie

Op 30 mei zullen we gezamenlijk kijken naar groeien in de gemeente. We doen dit aan de hand van werkvormen, en we kijken naar de ontwikkelingen van de kinderen in verschillende leeftijden. Er zijn verschillende ontwikkelingen zichtbaar als je ouder wordt. Deze worden hier in het kort uitgelegd.

 

Uitwerking leeftijden:


0 t/m 3 jaar (baby’s en peuters)

Imiterende groeiers

1 Lichamelijk en cognitieve ontwikkeling
De elementen van de ontwikkeling zijn basaal. Een eerste gezichtsherkenning, het eerste geluid, de eerste ontdekking van eigen ledematen. De wereld steeds groter: van liggend in de wieg naar zittend in de box, kruipend door de kamer en lopend door de tuin. Het leven staat in het teken van ontdekking: het ontdekken van de wereld om zich heen en het eigen lichaam dat een enorme groei doormaakt. Het kind imiteert hierbij het gedrag van de opvoeders, zoals gebaren (zwaaien), klanken (woordjes) en emoties (lachen).


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

In de eerste levensjaren is het belangrijk dat er een basaal gevoel van vertrouwen in mensen in de directe omgeving ontstaat. Dit gevoel is voornamelijk gebaseerd op bevredigende ervaringen: kinderen raken gehecht aan hun vader en moeder, omdat ze van hen eten, warmte en liefde krijgen. Het ontbreken van deze ervaring, of een drastisch verlies ervan, kan leiden wantrouwen en hechtingsproblemen. Een gebrek aan liefde kan grote gevolgen hebben voor relaties met mensen, maar ook voor de relatie met God. In het tweede en derde levensjaar staat de ontwikkeling van de zelfstandigheid centraal. Een peuter streeft naar onafhankelijkheid en zelfbeschikking, maar weet waar nodig ook een beroep op hulp van anderen te doen. Peuters leren ook grenzen kennen. Als deze ontwikkeling goed loopt, houdt een kind aan deze leeftijdsfase wilskracht over, doordat het vertrouwen heeft gekregen in eigen competenties.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

In de eerste jaren van een kind wordt het fundament gelegd voor geloof. Daarin zijn vertrouwen van en in mensen, veiligheid en afhankelijkheid belangrijke begrippen. Baby’s en peuters worden opgenomen in rituelen die bij het gezin en de geloofsgemeenschap horen. Het nadoen van ouders is ook hier belangrijk, bijvoorbeeld: handen samen en ogen dicht als er wordt gebeden. Bidden voor eten en slapen zijn terugkerende rituelen, die een vast onderdeel vormen van het leven van een kind. Ook emoties en de sfeer in het gezin zijn van belang in de eerste jaren van de geloofsopvoeding.

 

4 t/m 6 jaar (kleuters)                                                                   Ondernemende fantasten

 

1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling

Na het steeds meer verkennen van zichzelf en de wereld om zich heen, komt nu de ontdekking van het ‘eigen kunnen’. De vaardigheden en beperkingen van zichzelf, ‘kijk eens wat ik kan’. Van krassen naar tekenen naar schrijven is een duidelijke ontwikkeling. Het denken ontwikkelt zich ook veel meer in deze fase en is te typeren als van ‘concrete handelingen’. Er is zicht op oorzaak en gevolg, begrippen en betekenissen, maar altijd gekoppeld aan concrete voorwerpen omdat het abstract denken nog niet ontwikkeld is. De fantasiewereld die gecreëerd wordt en waar het kind veelal het middelpunt van is, wordt zichtbaar in het spel en de verhaaltjes. In deze fase ontwikkelt zich ook het langetermijngeheugen, gebeurtenissen die gekoppeld zijn aan heftige emoties zullen later herinnerd worden.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

Gewetensvorming neemt in deze fase een belangrijke plaats in. De veilige kaders die aangereikt worden door opvoeders zijn hiervoor noodzakelijk. Kleuters zijn echter ook ondernemend, experimenteel en zitten boordevol fantasie. Het is belangrijk dat het kind de ruimte krijgt om deze initiatieven te ontplooien. Bij een te sterke indamming bestaat het risico dat te veel straf en correctie tot overmaat aan schuldgevoel leidt. De vitale eigenschap die het kind aan deze fase ontleent, is doelgerichtheid doordat deze ondernemers geleerd hebben om iets te realiseren, rekening houdend met de kaders van de opvoeders.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

In dezelfde lijn als de cognitieve ontwikkeling is het geloof nog ‘ongeordend’. Verschillen tussen verzinsel en realiteit zijn niet altijd duidelijk. Veel van de geloofservaringen zijn gekoppeld aan sfeer en emotie en concrete voorwerpen. Met een elastiek wordt het kind ineens David, die in de grote buurjongen Goliath heeft ontdekt. Er is een grote impact door het gedrag en de verhalen van voorbeeldfiguren die redelijk kritiekloos gevolgd worden. Het fantaseren over identificatiefiguren is ook merkbaar in de geloofsontwikkeling.

7 t/m 9 jaar 

Kritiekloze ontdekkingsreizigers


1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling

Het besef van competentie ontwikkelt zich nog verder, wat kan leiden tot conflicten tussen competentie en minderwaardigheid, juist omdat deze ontdekkingstocht naar ‘eigen kunnen’ gezien wordt als een feit: ‘zo ben ik’. Bij jongens wordt dit beleefd in termen als: wie is het sterkst, het snelst, kan het beste voetballen. Bij meisjes is het competentievergelijk meer innerlijk en niet zo lichamelijk. Dit verschil tussen jongens en meisjes wordt ook zichtbaar in het omgaan met zorgen, problemen. Hierbij is het bij meisjes meer intrinsiek (piekeren) en bij jongens meer excentriek (agressie). In deze fase ontstaat ook het begin van abstract denken, ze kunnen zich dingen voorstellen, beginnen zich meer in te leven in andere kinderen.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

Deze fase beslaat de periode van de schoolleeftijd waarin taakgerichtheid en het succes dat daarin gehaald wordt, centraal staan. Sociale en cognitieve vaardigheden worden met die van leeftijdgenoten vergeleken en bij een ongunstige uitslag bestaat het risico dat het kind blijvende minderwaardigheidsgevoelens ontwikkelt. Het kan niet aan de eisen en verwachtingen van zichzelf of anderen voldoen. Lukt dit wel, dan is competentie de belangrijkste eigenschap die kinderen aan deze periode overhouden. Wanneer het kind geconfronteerd wordt met kritiek, reageert het emotioneel en zoekt steun bij ouderen en opvoeders. De mogelijkheid om te reflecteren op waardering van anderen, met name opvoeders, is er nog niet waardoor de impact van deze waardering groot is.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

Het kind wil ergens thuishoren en ontwikkelt bekwaamheid tot denken, rangschikken, patronen ontdekken, wil verschil weten tussen feit en fictie. Het verschil tussen verhalen in een film en de wereld waarin zij leven. De zingeving krijgt gestalte door letterlijk geïnterpreteerde verhalen en een sterk moreel denken. In hun geloofsbeleving zijn zij erg ontvankelijk voor symbolisch en dramatisch materiaal. Er is geen afstand of reflectie op de verhalen en moraal. Deze wordt kritiekloos geaccepteerd. Daarbij zijn de kinderen echte zwart-wit denkers, zodat consequent gedrag bepalend is voor de geloofwaardigheid. Het moreel denken is sterk gericht op de concrete daad, wel of niet, en er is weinig ruimte voor morele reflectie of afwegingen.


10 t/m 12 jaar (tweens) 
Abstracte veelweters

 

1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling
Het startpunt van de puberteit (groeispurt en de geslachtsrijping) kan al in deze fase liggen, toch is dit nog niet een thema voor de tweens. Over het algemeen is dit, qua lichamelijke ontwikkeling, nog een rustige periode en groeien ze meer in de breedte dan in de lengte. Het abstracte denken vormt zich meer in deze fase. Tweens gaan denken in patronen en gaan verbanden zien. Ze kunnen verder denken dan het hier en nu aanwezige. Ze kunnen denken over zaken die er niet zijn of anders zouden kunnen zijn dan ze nu zijn. Dit uit zich ook in een verandering van inhoudelijke belangstelling. Ze gaan nadenken over grote problemen en kunnen actief nadenken over een oplossing hiervoor. Daarnaast gaan ze over abstracte begrippen nadenken. Toch worden deze begrippen voor hen vooral duidelijk aan de hand van een concrete uitleg. Tweens zijn gericht op feiten, de fantasie verdwijnt, en ze willen het verschil tussen feit en fictie weten. Ze zijn in staat zelf hun informatie op te zoeken en te verwerken.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling
In deze fase worden de tweens zich bewust van sociale context en regels. Ze gaan meer zelf keuzes maken voor relaties. Dit moet worden gezien als oefenen in de zelfstandigheid. Dit gebeurt vrijwel altijd in eerste instantie in groepsverband. Een belangrijk thema voor de tweens is dat ze erbij horen (binnen een bepaalde groep). Om niet buitengesloten te worden zal het kind zich aanpassen aan de wensen van anderen binnen de groep. De relaties worden dan meer opportunistisch en instrumenteel van aard of: ten gunste van zichzelf. Ze kunnen meer zelfcontrole op hun emoties toepassen. Dit geeft hen een gevoel van onaantastbaarheid. Dat komt omdat tweens over meer kennis van emotie gaan beschikken. Kinderen koppelen de emotie vaak aan ‘de situatie’, maar tweens ervaren dat emotie ‘van binnen’ zit en dat ze er dus zelf invloed (controle) op kunnen uitoefenen. Ze zullen misschien al in opstand kunnen komen tegen bepaalde regels en grenzen van hun ouders. Het is belangrijk om vast te houden aan goed beargumenteerde regels en grenzen, ze hebben een veilige en consequente basis nodig om steeds op terug te vallen.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling
Verhalen krijgen voor de tweens een nieuwe dimensie omdat er ook verbanden gelegd kunnen worden naar abstracte begrippen. Het voorbeeld van hun ouders is dan ook heel belangrijk in de geloofsopvoeding. De tweens zien namelijk het verband tussen geloven en doen, ze begrijpen dat het geloof in praktijk gebracht dient te worden. De tweens zijn gericht op kennis en hun vermogen om het te onthouden en te verwerken groeit enorm in deze periode die dan ook uitstekend geschikt is voor het ‘inprenten’ van kennis. Met het abstracte denken ontwikkelen de tweens ook empathie. Zij zien bijvoorbeeld in dat er soms (menselijke) belangen zijn die maken dat mensen zelf mogen kiezen bepaalde regels te overtreden. Ze denken niet langer louter zwart-wit. Hoewel ze vaak ook erg wettisch zijn en een sterk gevoel voor recht en onrecht ontwikkelen. Er is meer aandacht voor de bedoelingen achter een concrete daad of het concrete verhaal. De tweens gaan nadenken over hun eigen bedoelingen, dat maakt ze soms onzeker. In de praktijk wordt hun morele oordeel vaak nog steeds bepaald door het erbij willen horen en minder door bewuste bedoelingen. Groepsvorming is dus belangrijk zeker ook binnen de geloofsopvoeding (samen zingen, bidden, lezen is aan te raden), daarin zijn sfeer en veiligheid van groot belang.

13 t/m 15 jaar (tieners)                                                                  

Kritische identiteitszoekers


1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling

In deze leeftijd ligt vaak het zwaartepunt van de groeispurt en de geslachtsrijping. Dit leidt tot een lichamelijke ontdekkingstocht. Ze zoeken naar een manier om met deze lichamelijke veranderingen om te gaan. De focus komt hierdoor (nog) nadrukkelijk(er) op henzelf te liggen. Dit wordt ook versterkt doordat er ook in de hersenen sprake is van groei. Dit heeft een directe invloed op sociaal gedrag en impulsbeheersing. Ze reageren anders dan volwassenen door de wat ‘ongeordende groei’. Ze kunnen bovendien nog niet zo goed gevolgen overzien voor de lange termijn waardoor de nadruk komt te liggen op leven in het hier en nu. De ontwikkeling van de hersenen kan beïnvloed worden van buitenaf door agressie, roken en drugs. Hier zijn jongeren juist erg gevoelig voor. Verder ontwikkelt het abstracte denken zich verder. Tieners zijn in staat hypothesen op te stellen en alternatieve oplossingen te vinden. Ze vormen ideeën en meningen over abstracte zaken als vriendschap, democratie, moraal en religie.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

De tieners zijn kind af en op zoek naar hun eigen identiteit; wie ben ik? Wat vind ik? Ze zijn dus vooral met zichzelf bezig. Identificatiefiguren vinden ze meestal niet (meer) in hun ouders maar onder leeftijdsgenoten die zich verzamelen in groepen met een aantal duidelijke kenmerken. Voor hun ontwikkeling zijn ze afhankelijk van identificatiefiguren waaraan ze zich kunnen spiegelen (wat doen zij? Wat doe ik/moet ik doen?). Tegelijkertijd zitten ze met onzekerheid over zichzelf (wat vinden anderen van mij?). Dit betekent dus ook niet dat een tiener zelf zijn weg wel vindt, ze hebben (nog steeds) begeleiding en kaders nodig. Door verwachtingen van zichzelf en van anderen leert een tiener zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Dat betekent ook dat ze bereid zijn verplichtingen en bindingen aan te gaan, en dus leren loyaal te zijn. De grote veranderingen brengen veel emoties met zich mee. Dit zet de relaties (vooral tussen ouders en kind) onder druk. Om hun doelen te bereiken zoeken tieners naar manieren om deze emoties te registreren, te evalueren en te modificeren.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

Op zoek naar hun eigen identiteit zijn tieners kritisch ten aanzien van zichzelf en anderen, maar ook naar hun ouders en de normen en waarden die ze van hen hebben meegekregen. Elke vorm van autoriteit wekt aversie op en worden niet zomaar gevolgd of erkend. Een tiener stelt veel vragen en uit kritiek maar dat is soms ook een manier om erachter te komen wat een ander vindt en waar de grenzen liggen. In navolging over vragen naar zichzelf en hun identiteit kunnen ze ook vragen gaan stellen bij zaken die ze als kind zonder moeite aannamen. Ze zijn dus ook kritisch naar de Bijbel, de kerk en hun eigen geloofsleven. Waar ze vroeger een verhaal vanzelf aannamen, willen tieners nu eerst wel eens bewezen zien of ervaren hebben hoe het verhaal in hun situatie relevant kan zijn. Ze hebben behoefte aan discussie en antwoorden, maar meer nog behoefte aan echtheid. Als ze zien dat iemand gelooft en daar ook in de praktijk van het leven naar leeft en uitvoert dan raakt dat de tiener. Tieners willen graag oprecht weten waarom iets wel of niet mag. Tieners willen alleen hun eigen morele afweging maken. Toch speelt de mening van vooral leeftijdsgenoten (groepsdruk) nog steeds een rol in de morele ontwikkeling.


16 t/m 19 jaar (jongeren)                                                              

Reflectieve netwerkers

 

1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling

De grote lichamelijke veranderingen worden in dit stadium afgerond. De aandacht van de jongeren verplaatst zich naar de buitenwereld. Door de confrontatie met de werkelijkheid ontstaat er een genuanceerde reflectie op de ideeën en meningen die de jongeren zelf hebben gevormd. Op deze manier leert de jongere kritisch naar zijn eigen mening en ideeën te kijken en die ook te corrigeren waar zij dat nodig vinden. Dit kan in een enorm tempo veranderen, want ze zijn nog steeds vatbaar voor invloeden van buitenaf. Daarnaast krijgen ze juist steeds meer hun eigen identiteit en durven ze daar ook meer voor te gaan staan (minder gevoelig voor groepsdruk). Ze zijn beter in staat om vooruit te denken, en in het maken van keuzes zijn ze in staat langetermijnconsequenties mee te wegen.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

De eerste stapjes richting onafhankelijkheid worden gezet in dit stadium. Belangrijk is daarbij de ontmoeting met de ander (leeftijdsgenoten). Ze willen hun net verworven identiteit en daarbij behorende standpunten en ideeën toetsen aan de werkelijkheid. Hierin worden ze, door anderen of de praktijk van het leven, gecorrigeerd en in hun standpunten genuanceerd. Er vindt dus reflectie plaats bij de jongeren. De confrontatie met de werkelijkheid dwingt de jongere na te denken over zijn eigen positie en standpunten. Keuzes die gemaakt worden voor bijvoorbeeld (vervolg)opleiding worden toch ook meestal gemaakt op basis van onderbuikgevoel en toevalligheden. Sommige jongeren hebben wel eens de neiging om terug te vallen in “onvolwassen gedrag”. Vooral in nieuwe situaties waar bepaalde zekerheden wegvallen. Jongeren zijn emotioneel nog lang niet volgroeid en daarom kunnen ze minder goed omgaan met kritiek en tegenslag.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

Jongeren trekken met vaak zeer radicale ideeën met de focus naar buiten de wereld in. Hun ideeën worden getoetst aan de werkelijkheid. Ze zijn uit op ervaring en echtheid. Ze breken met de traditie en willen zelf keuzes maken op basis van hun verworven identiteit en niet zoals het hoort. Toch hebben ze nog veel vragen en krijgen ze ook te maken met teleurstellingen als ze moeten toegeven op hun standpunten. Daarom hebben ze behoefte aan coaching. Deze coach moet iemand zijn die ruimte geeft aan hun (radicale) ideeën en hen ook opvangt als er door de confrontatie met de werkelijkheid teleurstellingen ontstaan. In hun enthousiasme en radicaliteit maken ze een keuze waar ze helemaal voor willen gaan, maar in de praktijk valt dat nog wel eens tegen, daarvoor is discipline nodig.

 


20 t/m 23 jaar (jongvolwassenen)                                             

Zelfbewuste zelfstandigen


1. Lichamelijke en cognitieve ontwikkeling

De lichamelijke ontwikkeling is op de leeftijd van 20 jaar bij bijna iedereen wel voltooid. Onderzoek wijst uit dat de hersenen zich tot het 25e levensjaar blijven doorontwikkelen. Het proces van de lichamelijke verandering en de reactie daarop door de persoon zelf en de omgeving ligt dan wel voor een groot deel in het verleden voor de jongvolwassene, het is nog niet zo lang geleden en het heeft de persoon voor een belangrijk deel gevormd. Ook cognitief zijn er geen grote veranderingen meer voor de jongvolwassene. De jongvolwassene is gericht op zichzelf en het maken van eigen keuzes. Daarin zijn zij vrij en willen en kunnen ze dit zelf invullen. Dat geeft ook meer tolerantie (empathie, inlevingsvermogen) naar anderen die zij ook de vrijheid gunnen en geven om het op hun manier in te vullen.


2. Sociale en emotionele ontwikkeling

Binnen het gezin (en ook binnen de samenleving) verandert de relatie tussen ouder(en) en kind/jongere van een hiërarchische relatie naar een relatie van ‘twee gelijken’. De jongvolwassenen zijn gevormd tot zelfbewuste en verantwoordelijke personen. Maar er ligt een grote druk op hen. Zij moeten die verantwoordelijkheid voor zichzelf gaan dragen en hun levenskeuzen tot uitvoer gaan brengen. Dat kan twijfels en angst met zich meebrengen. Tieners en jongeren leren zichzelf aan hun emoties reguleren. Maar jongvolwassenen komen terug van de grote nadruk op het mentale aspect van de emoties en erkennen ook het fysieke aspect van emoties en ervaren deze als geïntegreerd geheel. Bovendien worden negatieve emoties niet alleen maar gereguleerd, maar de confrontatie wordt aangegaan met deze emoties. Ook daarin komt het nemen van verantwoordelijkheid terug. Maar ook voor jongvolwassenen geld dat ze emotioneel nog lang niet volgroeid zijn en ook zij kunnen daarom minder goed omgaan met kritiek en tegenslag.


3. Geloofsontwikkeling en morele ontwikkeling

De jongvolwassene is op zichzelf gericht en dus ligt er in dit stadium veel nadruk op zijn eigen geloof. Ze zijn unieke personen met een eigen geloof (en manier van geloven). Ze zijn ook zelf verantwoordelijk voor de invulling en de uitleving hiervan. Geloof wordt daarom geordend. De jongvolwassenen kunnen afstand nemen en overwegen welke keuzes zij wel of niet maken. In dit stadium heeft iemand veel steun nodig en bemoedigingen. Zij willen en moeten het wel zelf doen omdat zij zelf het beste weten wat zij willen en bij hen past, maar er is nog steeds veel onzekerheid aanwezig. Zelfbewust zijn betekent namelijk niet altijd zelfverzekerd zijn.

 

 

 

Komende kerkdiensten


17-12-17 | 09:30
Ds. F. Maaijen | Zwijndrecht

17-12-17 | 17:00
Ds. F. Maaijen | Zwijndrecht

20-12-17 | 20:00
Kerstconcert Hart en Stem

22-12-17 | 19:30
Kerst Sing-in

Komende activiteiten